De basisprincipe van de training:
Definitie van trainen is: een systematisch, geleidelijk in intensiteit, duur en / of frequentie toenemende belasting waardoor de evenwichtssituatie (homeostase) verstoord wordt, met als doel het prestatievermogen van de sporter op te voeren. (verstoring van het evenwicht)
Om een hoger prestatieniveau te krijgen, moet steeds een beter/ andere prikkel worden gegeven
De prikkel van vandaag is niet meer de prikkel van morgen
Er moet sprake zijn van een zekere overbelasting.
Trainingseffecten treden pas op als er na de training voldoende mogelijkheden zijn om van deze verstoring te herstellen.
We worden dus niet sterker van het trainen, maar van de rust erna.
Het doel om de belastbaarheid van het lichaam te verhogen gebeurd vanuit een aantal wetmatigheden.
·Wet van specificiteit: Je wordt goed in wat je traint. Of te wel: een 100 meter sprinter traint op korte sprintnummers. Een lange duurloop of een stuk fietsen zijn voor een sprinter niet specifiek.
·Wet van verminderde meeropbrengst: In het begin vliegen de sec/ minuten van je beste tijd af. Daarna zijn steeds meer of sterkere prikkels nodig om het prestatievermogen toe te laten nemen.
·Wet van de reversibiliteit: Het verhoogde niveau is niet blijvend, maar zal na het uitblijven van een nieuwe trainingsprikkel terug gaan naar het uitgangsniveau. Denk hierbij aan ziekte, blessures en vakantie.
·Het overload principe: Er moet altijd een uitdaging zijn, alleen zo komt het lichaam in een toestand van hogere belastbaarheid. Het lichaam past zich aan aan een meerbelasting, dus steeds een hogere belastingsprikkel, zodat er sprake blijft van overload.
·Wet van de supercompensatie: Tijdens de herstelpauze die volgt op de training zal het lichaam zijn prestatievermogen vergroten, om beter bestand tegen een volgende belasting.